English language version
Ons Verhaal


De Nieuw Guinea jaren
door Jan van der Heijden – oktober 2007

Hoe ik er toe kwam om naar Nieuw Guinea te gaan?
Vanaf 1 mei 1953 was ik leraar geschiedenis aan de R.K. H.B.S. (Rooms Katholieke Hogere Burger School) in Dongen in Noord Brabant. Ik had het er goed naar mijn zin, ofschoon het lesgeven zelf, zeker in het begin wat problematisch verliep en dit had zijn oorzaken o.a. in het feit dat twee voorgangers van mij als leraren geschiedenis vastgelopen waren wegens orde problemen; dit had tot gevolg dat het vak geschiedenis op die school door de leerlingen als een kuitvak gezien werd en daar was voor een jonge onervaren leraar niet zo gemakkelijk tegen op te boksen. Onervaren ook, omdat ik in plaats van naar mijn stage plaats aan het Lyceum in Dongen te gaan, zand zakken was gaan vullen na de Watersnoodramp van 1 februari 1953. Maar verder was de sfeer op deze toen nog kleine school uitstekend; de leraren en ook hun partners gingen als vrienden met elkaar om. Wat het verblijf in Dongen voor mij ook aangenaam maakte was het feit dat ik vier jaar lang onderdak vond in het sfeervolle hotel Musis Sacrum, een befaamd familiehotel. Het werd geleid door het echtpaar Van den Assum, oom Piet en tante Nel en vooral met tante Nel had ik een zeer goede band; ze was als een tweede moeder voor mij en we hebben samen veel gepraat o.a. als ze op het kamertje naast mij aan het strijken was. Musis Sacrum was bovendien de centrale gelegenheid waar allerlei verenigingen hun tehuis hadden met ook nog eens een bioscoopzaal. Er waren behalve mij diverse vaste hotelgasten zoals het echtpaar Leempoel met hun zoontje, de bijzondere mijnheer Witkamp, collega Don Griot, Toon de Wit. ’s-Avonds rond tien uur gingen we meestal nog een potje kaarten aangevuld met het drinken van een glaasje wijn (TV bestond in die tijd nog niet!); ook kwamen er regelmatig gasten die periodiek kwamen logeren zoals vertegenwoordigers waarmee we ook een goede band hadden. Al met al een zeer afwisselend leven. Waarom dan toch dit prettige bestaan vaarwel gezegd en een min of meer avontuurlijke en onzekere baan in het tamelijk onbekende Nieuw Guinea opgezocht? Er was ook wel sprake van een toeval: in het jaar 1955 vond ik in het katholieke lerarenblad een vacature voor een baan als leraar geschiedenis aan de Bijzondere H.B.S. in Hollandia, Nieuw Guinea (straks wat meer over deze school). Daar ging ik over nadenken en de motieven om te reageren waren divers; zeker ook wel het avontuur, het onbekende, trok me aan; maar ook een zeker idealisme spoorde me aan. Ik was toen lid van de Tochtgenoten van Sint Frans, een internationale jongerenbeweging, die in de voetsporen van St. Fransciscus ijverde voor de vrede en zich inzette voor een soberder levenswijze ofschoon er toen nog geen sprake was van consumptie maatschappij. St. Frans met zijn radicale levenswijze had me altijd al aangetrokken ofschoon ik wel besefte dat een letterlijke navolging bijna onmogelijk was. In de praktijk gingen de Tochtgenoten per regio eens in de zes weken een kleine weekendtocht maken, inderdaad in tamelijke soberheid maar met grote voldoening gevende contacten; zeer verrijkend waren ook eens per jaar de internationale tochten met jongeren uit heel West Europa o.a. in Italie, Belgie, Frankrijk en Zweden (hier wel heel speciaal vanwege de enorme belangstelling omdat het daar de eerste pelgrimstocht was na de Reformatie; de grondslag voor mijn latere voettochten werd hier gelegd. Het idealisme van de Tochtgenoten uitte zich ook in het gaan werken in de Missie (het verspreiden van het katholieke geloof in een andere cultuur); het zich inzetten voor de ontwikkelingslanden en vooral in gebieden waar de Franciscanen als missionarissen werkten; voor en na ons werkten wel meer Tochtgenoten in de Missie zoals Toos van Meer en Piet en Truus van de Hout. De Franciscanen werkten o.a. ook in het toenmalige Hollandia in Nederlands Nieuw Guinea waar ze samen met de Zending (het verspreiden van de protestantse geloof in een andere cultuur) in 1951 een Bijzondere H.B.S. hadden opgericht. De vacature voor leraar geschiedenis die ik in 1955 in het lerarenblad vond, betrof deze school. Toen ik nadere informatie vroeg over deze baan bleek me toch al gauw dat er te veel onzekerheden waren: had de pas opgerichte school wel voldoende basis om te bestaan? Er waren nog maar enkele klassen en het aantal uren voor geschiedenis was veel te weinig voor een volledige baan; ik zou er dan ook aardrijkskunde bij kunnen geven maar daar was ik onbevoegd voor en had ik geen opleiding voor gehad en zelfs met aardrijkskunde kwam ik niet aan voldoende lessen. Men bood me nog aan om daarnaast internaatswerk (instelling voor probleemjongeren) te doen maar al met al leek het avontuur toch te onzeker om de baan aan te nemen. De Franciscanen vergaten me echter niet en in het voorjaar van 1956 kreeg ik de vraag voorgelegd of ik nog te vinden was voor die baan maar dit verzoek kwam juist toen ik nog maar enkele weken Corrie Huijbers beter had leren kennen en het was natuurlijk te kort dag om daar nu over te praten en te denken. Maar de Franciscanen zetten door en kwamen een jaar later met hetzelfde verzoek; Corrie en ik begonnen er samen over te praten en ondanks de tamelijk jonge leeftijd van Corrie begonnen we er steeds warmer voor te lopen en namen de plannen steeds concretere vormen aan. De aarzeling van de wederzijdse ouders waren niet van dien aard dat ze een belemmering vormden voor onze avontuurlijke plannen. Zeer zeker was het feit dat we dan al meteen konden trouwen ook een beslissende factor; in Nederland was huisvesting toen nog een groot probleem en in Nieuw Guinea werd ons binnen niet al te lange tijd huisvesting beloofd. Zodoende namen onze plannen in de zomer van 1957 steeds vastere vormen aan ofschoon er nog een hele briefwisseling mee gepaard ging o.a. over het feit of Corrie al meteen met mij mee kon en over de inpassing van mijn salaris.

Onze reizen naar Hollandia en vice versa.
Nadat we op 13 augustus 1957 in Nistelrode (Noord Brabant) getrouwd waren, samen met Tonnie (Corrie’s zus) en Piet Mennen, vertrokken we al op donderdag 12 september naar onze nieuwe bestemming. Er gingen drukke weken aan vooraf van inkopen doen, o.a. van tropenkleren kopen in Den Haag maar ook van de meest noodzakelijke meubels en huisraad, voor verzendingen zorgen, afscheid nemen van familie en vrienden. Uitgeleide gedaan door een volle bus met familieleden en vrienden, die ons naar Schiphol brachten, vertrokken we die donderdag met een Super Constellation van de KLM. Het afscheid was voor ons toch wat lichter dan voor de vele emigranten in die jaren die meestal voor goed afscheid dachten te nemen van hun familie terwijl wij in eerste instantie maar voor kort verband gingen, dus voorlopig voor een periode van drie jaar. De reis was wel bijzonder voor ons: het was niet alleen onze eerste vlucht maar deze vlucht duurde al met al van 12 t/m 15 september; geen wonder dat we na aankomst nog enkele dagen last van gezoem in onze oren hadden. Men deed er inderdaad toen nog rustig over met telkens kortere of langere stops. Op vrijdagmorgen ontbeten we al vroeg in een hotel in Cairo (Egypte) en ook nog op dezelfde dag hadden we een dinner in een hotel in Karachi (Pakistan). Op zaterdag hadden we weer heel vroeg een ontbijt in Rangoon (Birma; nu Yangon in Myanmar) en stopten we ook weer in Bangkok (Thailand) en ‘s-middags in Manilla (Filipijnen) en zaterdagavond kwamen we pas laat op het eiland Biak aan en zetten we dus onze eerste stappen op Nieuw Guinea’s bodem. Wat ons daar het meest opviel was de tropische hitte ook al was het avond en het onafgebroken geluid van de vele dieren maar het meest van de krekels. De volgende dag, op zondag de 15de, konden we zelfs met een fietstochtje wat meer van het eiland verkennen en de eerste Papoea’s bekijken, waar we de komende jaren volledig aan gewend zouden worden. Dezelfde zondag vertrokken we met de veel eenvoudiger Kroonduif naar onze eindbestemming Hollandia; we keken onderweg zeer gefascineerd naar het land onder ons; als maar dichte begroeing, met aan de lange kustlijn hier en daar een nederzetting. Onze lange vliegreis eindigde op het vliegveld van Sentani, nog zo’n 40 km van Hollandia, waar we door de missie werden afgehaald. De geplande drie jaren van kort verband werden uiteindelijk ruim drie en een half jaar en wel omdat op het eind van de oorspronkelijke drie jaren onze dochter Annemiek op 24 oktober 1960 werd geboren. Het (betaald) verlof van ongeveer een half jaar begon pas na Pasen 1961 en duurde tot september van dat jaar. Van de terugreis naar Nederland herinner ik me veel minder dan van de heenreis maar de reis ging nu al veel sneller met minder stops en zeker geen stappen buiten de vliegvelden. Tijdens onze verlofperiode mochten we in de nieuwe woning van Corrie’s ouders in de Lindestraat in Nistelrode wonen; maar Corrie en ik genoten ook van enkele reizen met onze nieuwe gekochte Volkswagen Kever (met het stuur rechts, omdat die daarna mee ging naar Nieuw Guinea) o.a. naar Luxemburg en Parijs, waar vooral Corrie zich in de drukke hoofdstad met veel gemak en plezier thuis voelde terwijl we toch in het rustige Hollandia helemaal geen druk verkeer gewend waren en we daar bovendien links verkeer kenden. Een rijbewijs hadden we daar wel gehaald maar zonder officiele rijlessen want er waren geen rijscholen: ik leerde het rijden van een kennis en daarna werd ik de leraar van Corrie. File parkeren bezorgt me nog altijd angsten omdat dat daar nooit nodig was, terwijl helling rijden daar weer dagelijks werk was. Na ons verlof gingen we in september 1961 terug. We namen toen vaste dienst dus we wilden er langere tijd blijven: enigszins vermetel vertrouwen want het was toen al bijna duidelijk dat de Nederlandse regering op het punt stond te verliezen van de internationale druk om Nieuw Guinea aan Soekarno af te staan (hierover later meer). De spanning hierover was eigenlijk al tijdens onze terugreis te merken: we vlogen niet over de zuid route: over zuid Azie, waar meerdere landen weigerden onze vliegtuigen met Nederlandse militairen aan boord over te laten vliegen; we vlogen over de noord route: via IJsland, Canada, de noordpool en Japan naar Nieuw Guinea en we mochten het vliegtuig pas na ruim 20 uur vliegen even verlaten op een vliegveld in Japan. Wat gevreesd werd, gebeurde al ruim een jaar later: Nieuw Guinea zou 1 mei 1963 worden overgedragen aan Indonesie na een interim periode van 1 oktober 1962 tot 1 mei 1963. In deze periode zou de VN Nieuw Guinea besturen en de orde worden gehandhaafd door een internationale troepenmacht. Voor 1 oktober 1962 moesten alle Nederlanders Nieuw Guinea verlaten; wel werd gevraagd aan een kleine minderheid van vrijwilligers om als ambtenaar of leerkracht nog enige tijd te blijven om niet alles tot een chaos te laten vervallen. Ook ik besloot nog enige maanden te blijven als UNO (United Nations Organization) ambtenaar en pas begin januari 1963 verliet ik het land nadat Corrie met Peter en Annemiek al op 27 september 1962 vertrokken waren, ruim een jaar na de terugkeer van ons verlof. Het begin van Corrie’s terugreis was niet zo gemakkelijk: met twee kleine kinderen in een vol vliegtuig naar Australie, maar na enkele dagen in Australie begon de zeer plezierige boottocht met de MS Oranje. Het was voor haar en Peter een ontspannende tijd met veel vermaak en samen met meerdere bekenden maar Annemiek had het op deze boottocht wat moeilijker en voelde er zich niet zo goed thuis. Ik had in januari 1963 ook een prettige terugreis met het vliegtuig maar met onderbrekingen; zo’n 5 dagen bracht ik door het onbekende Bangkok (Thailand) en nog eens een dag of vier in Athene (Griekenland); ofschoon ik via mijn studie en het lesgeven Athene helemaal dacht te kennen, was het met eigen ogen bekijken van de antieke oudheden toch een weldadige verrassing; bijzonder genoot ik van de Acropolis met het goud en bronskleurige Parthenon maar ik kreeg er ook schitterend weer bij: zachte temperatuur ondanks de winter en volle maan, waardoor de kleuren nog beter tot hun recht kwamen. Een paar dagen later kon ik Corrie en de kinderen na ruim drie maanden weer in mijn armen sluiten; in drie maanden was Corrie natuurlijk niet zo veel veranderd maar de kinderen waren in hun winterkleding toch weer even wennen. We woonden tot september weer in bij Corrie’s ouders in de Lindestraat in Nistelrode maar in de zomer van dat jaar verbleven we o.a. ook in een vakantiehuis op Bedaf in Uden (Noord Brabant) tot we in augustus van dat jaar naar Geleen (Limburg) verhuisden. Terug in Nederland werd ik ook geconfronteerd met een van de strengste winters aller tijden: deze winter van 1963 is berucht gebleven o.a. door de Elfstedentocht in barre weersomstandigheden.

De H.B.S. in Hollandia.
De "R.K. H.B.S." in Hollandia opende op 9 augustus 1951. Op 15 november 1957 veranderde de naam naar "Bijzondere H.B.S. Hollandia" door een samenwerking van de Missie en Zending: op zich al iets heel aparts want het was in het verleden vaak water en vuur geweest tussen deze twee ofschoon ze allebei toch de bedoeling hadden om het christendom te verspreiden, en . Maar wilde men komen tot de oprichting van een christelijke middelbare school dan was dit alleen mogelijk door dit samen te doen; deze bijzondere school werd in meerdere opzichten bijzonder: bijzonder onderwijs in Nederland was meestal confessioneel onderwijs; geleid door katholieke, protestantse of andere godsdienstige schoolbesturen. Na een lange en felle strijd werd in 1917 de zogenaamde onderwijspacificatie bereikt; in financieel opzicht werden confessionele scholen gelijk gesteld met de openbare scholen; dit waren meestal in godsdienstig opzicht neutrale scholen en geleid door openbare instellingen). Maar de H.B.S. in Hollandia was dus extra bijzonder omdat het een katholieke/protestantse school was. Bijzonder was ze ook omdat er van het begin af aan jongens en meisjes te samen werd les gegeven; dit was in het bijzonder onderwijs toen in Nederland nog maar een uitzondering; deze maatregel was natuurlijk ook noodzakelijk omdat anders het aantal leerlingen zeker te klein zou zijn. Bijzonder was ze ook vanwege de leerlingen; zoals de hele gemeenschap van Hollandia een bonte maar ook interessante samenstelling van allerlei rassen en groepen was, zo was natuurlijk ook de schoolbevolking zeer divers. De grootste groep bestond uit de kinderen van de Nederlandse ambtenaren en het programma van de school was ook gelijk aan het Nederlandse onderwijs; vele van deze leerlingen gingen na hun H.B.S. naar Nederland en moesten daar verder als studenten voor een verdere opleiding of kwamen terecht in het Nederlandse arbeidsproces. Maar in die periode bestond de grootste groep ambtenaren in Hollandia maar ook de meeste mensen in de zakenwereld uit de Indisch Nederlandse groep de Indo’s, een groep die in de loop der eeuwen ontstaan was uit de vermenging van Nederlanders met Maleiers (de Indonesiers) en zodoende vormden de Indo’s de grootste groep van de leerlingen, in huidskeur en verdere uiterlijkheden toch nog erg divers. In aantal volgden hierop de Totoks, kinderen van volbloed Nederlanders. In de dagelijkse praktijk gingen deze twee groepen het gemakkelijkst met elkaar om. Daarnaast waren er nog vele leerlingen van minderheden van allerlei kleur, ras, godsdienst, taal: er waren vele soorten Indonesiers; als je daar woont, merk je pas de enorme verscheidenheid in de volkeren van Indonesie; we noemen er maar enkelen die dan ook vooral uit Oost Indonesie naar Nieuw Guinea waren gekomen zoals de Ambonezen, Keiezen, Tanimbarezen, Madoerezen, Makassaren, Florezen, enz. In de door mij nog bewaarde gegevens over de leerlingen waarvan ik klasseleraar was, staan al deze gebieden nog vermeld als geboortestreken van deze leerlingen. Verder waren er nog al wat Chinezen die al eeuwenlang als handelslui en zakenlieden heel Zuid Oost Azie overstroomd hadden en die hun kinderen ook naar de H.B.S. stuurden. En natuurlijk groeide in de loop der jaren ook steeds meer het aantal Papoea leerlingen maar ook tussen de Papoea’s bestaat een enorme verscheidenheid; ze leefden in dit dunbevolkte land vaak in kleine aantallen zeer geisoleerd en zodoende ontstonden er grote verschillen. Was het volkomen begrijpelijk dat het Nederlands schoolprogram voor de Nederlandse kinderen (in ruime zin genomen) werd gebruikt, dit werd toch wel wat moeilijker te verklaren voor de leerlingen die nooit naar Nederland zouden gaan en dit gold zeker voor de meeste Papoea’s. Dit zagen wij natuurlijk ook wel in en daarom hadden we een plan uitgewerkt om vooral voor de Papoea leerlingen per september 1962 een apart leerprogram te starten met bijvoorbeeld Engels als voertaal en wat geschiedenis en aardrijkskunde betreft meer gericht op Zuid Oost Azie. (Het is natuurlijk wel leuk om te constateren dat "onze Pas" (Paschalis Fau'ubun) als Keiees nog hele rijtjes plaatsen in het voor hem toen volledig onbekende Nederland kan opdreunen en nog vele tientallen Nederlands schoolliedjes kan opzeggen, maar we vragen ons nu af of die tijd niet efficienter gebruikt had kunnen worden). Dit plan is helaas door de politieke veranderingen in 1962 niet aan een begin van uitwerking kunnen komen. Bijzonder was ook de ligging van het schoolgebouw: de H.B.S. lag op een eigen gebiedje, aan de ene kant begrensd door de wateren van de Zee (de Grote Oceaan (Pacific)) en aan de andere kant afgesloten door een rotspartij van naar schatting 15 meter hoog, het zogenaamde Zeezicht; dit verder afgesloten plateautje was via een smal weggetje tussen de zee en Zeezicht te bereiken. Bijzonder kon je ook wel het schoolgebouw zelf noemen: tot de nieuwbouw in 1960 was het een complex van een viertal gebouwtjes van een zeer eenvoudige structuur bestaande uit een houten bouw, afgedekt met golfplaten; de ramen bestonden uit kippengaas en dat was het dan. De ligging pal aan zee was maar een enkele keer hinderlijk; het weer veranderde maar zelden maar zo nu en dan moesten we de lokalen sluiten als het door te veel wind en regen binnen te nat werd. Een prettige afwisseling vormde ongeveer eens per maand de aankomst van de Holland boot die op korte afstand van de school zijn vaarroute had en dan wisten we dat er weer allerlei verse­ producten te koop waren. Zoals al vermeld kregen we 1960 nieuwbouw op hetzelfde plateau; een normaal stenen gebouw: voor ons in die tijd wel een grote verbetering. Het onderwijs aan deze kinderen was heel prettig; over het algemeen waren het rustige leerlingen, soms zelfs wat verlegen van aard, zeker de Papoea’s; met zo’n gemengde achtergrond en soms nog primitieve huiselijke omstandigheden, viel het handhaven van het Nederlandse onderwijs peil soms wel moeilijk. Wat het contact met de leerlingen nog vergemakkelijkte was het feit dat het maar een kleine school was (maximaal 150 leerlingen); je kende van vele leerlingen ook de ouders en de huiselijke omstandigheden. Naast het lesprogramma werd er ook voldoende aan nevenschoolse activiteiten gedaan: sporten en sportdagen, danslessen, toneelspelen (ik ben nog enige keren opgetreden als regisseur zonder enige ervaring) en aan feesten als Koninginnedag en Carnaval werden ruim aandacht besteed. Het aantal collega’s was natuurlijk ook niet zo groot maar het aantal was toch groter dan men zou verwachten omdat er nog al wat ambtenaren, al of niet bevoegd, invielen als er weer eens voor een bepaald vak geen leraar te vinden was of als er iemand met verlof naar Nederland was. Ik gaf behalve geschiedenis toch nog enkele jaren aardrijkskunde, hoewel onbevoegd; ik vond die lessen niet moeilijk behalve met de fysische aardrijkskunde in de klassen 4 en 5 had ik enige moeite om de leerlingen voor te blijven. Na 1962 veranderde de naam naar "SMU Gabungan". In augustus 2001 werd het 50 jarig bestaan gevierd en werd ik als oud-leraar uitgenodigd, en ben toen samen met Corrie terug geweest.

Huisvesting.
De eerste maanden van onze periode in Hollandia verbleven we in hotel Berg en Dal; een zeer eenvoudig hotel waar we een warme, gehorige kamer met zeer weinig privacy hadden; vanwege de warmte was er geen glas maar gaas; de badkamers waren mandikamers waar je geen kranen had maar met een bakje het water schepte uit grote tonnen; ze waren niet steeds erg proper, men vond er, maar ook op andere plaatsen, gemakkelijk kakkerlakken of ander ongedierte en we hebben zelfs wel eens dode ratten in de mandibakken gevonden. Ik verwonder er me nog wel eens over dat Corrie het in dat hotel zo gemakkelijk heeft uitgehouden; ik was overdag naar school maar zij was drie maanden daar met alleen een kamer in een kaal hotel en met alleen de spullen die we in onze koffers mee genomen hadden. Na enige tijd was onze bagage wel gearriveerd maar zolang we geen huis hadden, konden we deze niet uitpakken. Er waren soms wel eens andere gezinnen of echtparen in het hotel maar de hoofdmoot van de bewoners bestond uit zogenaamde detajongens; jonge mannen van allerlei aard die op een speciaal contract met het gouvernement werkzaamheden voor de overheid verrichtten. Gelukkig voor Corrie hadden we in die periode veel contact met Wil en Lidy van de Stappen, die in een quonset (een soort golfplatenhuisje) dicht bij dat hotel woonden. Wil was advocaat maar hem kende ik van af mijn jeugd, hij kwam uit Heesch en was weer een neef van mijn vriend Maricus van de Stappen. Gelukkig kregen we rond Kerstmis 1957 een echt huis en wel op Zeezicht, de rotsheuvel vlak boven de H.B.S.; wat waren we hier blij mee. Het was achteraf gezien maar een heel eenvoudig huis met bijvoorbeeld karang vloeren = een soort cement, en een golfplatendak. Maar de ligging was schitterend; een vrij uitzicht op zee vlak voor ons (regelmatig landden er Catalina, (watervliegtuigjes van de Marine op de zee voor ons). Nu kregen we ook eindelijk de beschikking over onze kleren en meubelen en we waren de koning te rijk. Corrie kon zich in het huisje uitleven en ik kon heerlijk tuinieren: je hoefde nooit lang te wachten op planten en bloemen want alles groeide er zeer snel. We woonden nu ook in een hoofdzakelijk door ambtenaren bewoonde buurt (Dok V) met rondom ons enkele onderwijzers en onderwijzeressen van de Missie (onze heuvel werd daarom ook wel Missieheuvel genoemd). Ons huis was eigenlijk ook van de Missie maar ik was als rijksambtenaar in dienst van het Gouvernement en betaalde ook de huur voor dit huis hieraan: dit was zoals voor alle huizen van het Gouvernement 37.50 gulden per maand. Tot onze grote teleurstelling kregen we nog binnen het jaar te horen dat we moesten verhuizen: de Missie had het huis weer zelf nodig en onze protesten dat we toch ook voor de Missie werkten, hielpen niet. We verhuisden naar de D’Urvillelaan, wel in dezelfde wijk maar niet zo mooi gelegen (wel juist boven de kathedraal in een tamelijk steil straatje) maar qua woning was er niet zoveel verschil met ons vorige huis. We hadden er goede buren: aan een kant de Brabanders Nel en Jef Bakermans uit Geldrop en aan de andere kant de Bierstekers, een arts. Hier hebben we ruim twee jaar gewoond en nog voor ons verlof in 1961 verhuisden we naar de Beatrixlaan; ook weer in de buurt maar weer veel mooier gelegen en een iets chiquer huis met bijvoorbeeld tegeltjes op de vloer. Zowel hier als in de D’Urvillelaan heb ik veel tijd besteed aan de tuinaanleg maar de tuin in de Beatrixlaan was de mooiste. In de D’Urvillelaan viel vooral de rooie aarde op, op veel plaatsen was de aarde rood van kleur, en onze Peter was als druk baasje, die overal op en in kroop, bijna de hele dag zo rood als een vuurtoren. Na ons verlof kwamen we weer terug in dit huis en hier bleven we tot ons gedwongen vertrek in 1962 (tijdens de Uno periode, toen Corrie en de kinderen al weg waren, heb ik daar nog enige weken alleen gewoond maar ook nog enige tijd in het huis van collega Hans Bakker, de laatste weken woonden hier ook al enige Indonesische leraren, die ons kwamen opvolgen (die aten heel sober, vaak alleen maar witte rijst met wat fruit). De inrichting van de huizen was eigenlijk maar sober; de meubels waren vaak van rotan en kasten en bedden heel eenvoudig; men kocht ook bijna nooit nieuwe meubels maar indien nodig nam men wat over van lui, die voor goed weg gingen of op verlof waren. Maar dit was voor iedereen zo en daarom stelde men ook geen hoge eisen aan de inrichting. We hadden enkele keren inwoning, zowel al op Zeezicht als in de andere woningen: op Zeezicht logeerde enige tijd in de gudang (schuurtje) Freddie Hengga, een ernstige wat oudere leerling van de H.B.S., uit een kampong in de omgeving van het Sentanimeer, waar zijn vader kepala (hoofd van de kampong) was; de afstand naar school was te groot. Later heeft Pas Fau’ubun ongeveer een jaar bij ons gewoond omdat zijn verblijf bij een tante in Hollandia Binnen ook niet zo bevorderlijk was voor zijn studie terwijl zijn ouders in Merauke aan de zuidkust woonden. Freddie is vroeg gestorven maar met Pas hebben we nog steeds contact.

Ons dagelijks leven
Het dagelijks ritme week toch wel enigszins af van het leven in Nederland. We stonden redelijk vroeg op (6.30/7 uur), want de lessen op school begonnen om 7.30/8 uur en rond 12 uur waren de lessen afgelopen. Na de lunch volgde iedere dag een siesta; in het begin dachten we dat niet nodig te hebben maar al gauw paste je toch aan. Na een douche ging je wat werken (lessen voorbereiden of in de tuin) en heel vaak tussen 5 en 6 uur naar de Haven (het centrum) om boodschappen te doen, het meest bij Omloo; rond dit uur en daarna was iedereen in de Haven en vaak dronk je nog wat met vrienden en kennissen op een terrasje, ook weer vaak bij Omloo. Rond zes uur weer naar huis want dan werd het tamelijk snel al donker. Avondeten en daarna nog wat werken of lezen op het platje. Intussen waren de slaapkamers al gesloten en geflit tegen de muggen. Malaria kwam ook nog in Hollandia voor en het dagelijks slikken van Paludrine hiertegen was vereist. In de tropen heb je bijna nooit contact met wilde gevaarlijke dieren maar wel meer ongemak van het kleine ongedierte zoals muggen, kakerlakken, mieren; bij bepaalde weersgesteldheden kon je plotseling overvallen worden door grote zwermen vliegende mieren; een keer waren we uit geweest en zagen we bij thuiskomst het hele platje vol liggen met honderden dode vliegende mieren, die op het licht waren afgekomen; gelukkig waren er maar enkelen in huis doorgedrongen (want Peter lag daar alleen rustig te slapen). Ook in de tuin moest je geregeld hele trossen mieren weg branden. Slangen kwam je wel eens in de tuin tegen maar die vluchtten vaak snel weg. Een enkele keer zag je grote pythons langs de weg of in de sloot en een keer hebben we op een avond over zo’n slang gereden en waren we bang dat hij zich aan onze auto had vastgeklampt. Iedere avond hoorde je het geluid van de honderden krekels maar dat wende gauw evenals het geklapper van de vliegende honden (een soort grote vleermuizen), die het voorzien hadden op de papaja of de pisangbomen (bananen boom) rond het huis. De flora en fauna was uiteraard heel anders dan we gewend waren; ik noemde daarnet al enkele voorbeelden; ook in de tuin had je veel planten en struiken die we eerder nooit gezien hadden maar die wel volop en snel bloeiden; om enkele namen te noemen: kembang, sepatu, laos plant, cambodja boom, oleander, croton in veel verschillende soorten, lantana (de meeste nu toch ook in Nederland te vinden). Eten en drinken veranderde ook snel van Nederlands naar Indisch; nu is buitenlands eten en drinken in Nederland ook heel gewoon maar voor ons verblijf voerde de Hollandse maaltijd nog de boventoon; we gingen in Hollandia al gauw over op rijst (nog wat minder pasta) ook al omdat er lang niet altijd aardappelen te koop waren; tropische vruchten in vele variaties waren al gauw dagelijkse menu; drinken moet je veel in de tropen en behalve water werd het meest djeroek gedronken, een uitgeperste citrusvrucht aangelengd met water. Kleding was ook weer aan de eenvoudige kant en je had er weinig van nodig; colbert werd bijna nooit gedragen (met Kerstmis soms) en naar school ging je in wit overhemd en witte short; echt chique kleren droeg je maar zelden en het was voor dames heel gewoon om kleren van elkaar over te nemen. Trouwens over het algemeen was de levensstandaard eenvoudiger dan toentertijd in Nederland en dat viel ons vooral op toen we in 1961 met verlof waren; het was toen een periode van flinke loonsverhogingen en dat was in Nederland aan alles te merken; we verbaasden ons toen over de, in onze ogen overdreven luxe en als we ooit naar Nederland zouden teruggaan, zouden we toch vasthouden aan de eenvoudige levensstijl; maar ja ....... Over het algemeen hadden de totoks­ (de nieuwe Nederlanders daar), in tegenstelling tot de Indo’s geen familie daar; maar daarom sloot men zich gemakkelijk bij anderen aan en kreeg men vlot vrienden en kennissen; een vriendenkring, die nog al snel kon wisselen: men ging op verlof of voor goed naar Nederland terug of men werd overgeplaatst naar een ander deel van het eiland; die variatie was ook wel afwisselend en we moesten later in Nederland weer wennen aan een min of meer vaste vriendenkring. Uitgaansleven was natuurlijk ook beperkter; er was geen schouwburg of concertzaal maar wel een bioscoop; men ging vaak op visite bij vrienden en kennissen; in de weekends wat tochtjes maken met de auto of scooter maar dit was ook weer beperkt want al gauw zat je aan de rand van de rimboe en kon je alleen maar verder op een soort expeditie; met enkele collega’s hebben we wel eens met kapmes en kompas zo’n tocht gemaakt; al met al was er 80 km aan wegen rond Hollandia met de auto te berijden; graag gingen we ‘s-zondags naar het Sentani meer, zo’n 40 km van Hollandia haven, waar iedereen­ was; rond dit meer bezochten we ook vaak kampongs met of zonder markt of een kerkelijk feest; een enkele keer maakten we een boottocht op het Sentanimeer of maakten we een zeiltocht met vrienden die over een boot beschikten. Zwemmen in zee op Base G was ook een veel gemaakte ontspanning maar op het strand was het vaak te warm (zonneschermen nog onbekend). Toch waren er regelmatig feestelijke gebeurtenissen die wat afwisseling brachten; Nieuwjaar en Carnaval werden uitbundig gevierd; maar vooral Koninginnedag was een echt kleurrijk volksfeest; ook feesten in de kampongs, die soms dagen duurden, met veel dansen en van die eentonige muziek waarnaar je toch urenlang kon luisteren. Soms waren er feestelijke gebeurtenissen die door particulier initiatief ontstonden; ik denk bijvoorbeeld aan de zeer energieke mevrouw Tarenskeen, op vele terreinen actief maar om nooit te vergeten was haar Driekoningenoptocht met een massale deelname van jong en oud, blanke en bruin; een lange bonte stoet, waaraan vele handen hadden bijgedragen, trok door de straten van Dok V naar de Kathedraal (“onze­ Pas” fungeerde daarbij als zwarte koning). Ook in de vakanties kon je niet zo maar een uitstapje buiten Hollandia en directe omgeving maken; wat dit betreft was het leven eentoniger; een keer hebben we een langere boottocht gemaakt langs de hele noordkust van Nieuw Guinea, waar we o.a. Seroei, Manokwari en Sorong bezochten; hier woonden toen Wil en Lily van der Stappen, waar we logeerden (niet lang daarna hebben ze het contact met ons verbroken en we weten nog steeds niet wat daarvan de oorzaak was, ik heb Wil in Nederland nog wel enkele keren ontmoet). Een keer heb ik een uitstapje gemaakt als passagier met het missievliegtuigje van onze goede vriend Pater Edmar Vergouwen naar Arso waar een andere bevriende Franciscaan, Seveer de Wit, toen pastoor was; het was maar 40 km van Hollandia maar alleen te bereiken met het vliegtuig of via een rimboetocht van enkele dagen. Arso was toen een eenvoudige maar nette kampong en de pastorie en de kerk verschilden niet van de andere kamponghuizen; het lag in een moerassig gebied met veel malariamuggen en ondanks goede voorbereidingen heb ik daar toch malaria opgelopen. Samen met Pater Vergouwen hadden we een tijd lang een gespreksgroepje met andere jonge (katholieke) gezinnen om over geloofs en maatschappelijke kwesties in de ruimste zin van het woord te discussieren. Pater Vergouwen is helaas niet lang na onze terugkomst naar Nederland met zijn vliegtuigje in de rimboe in Sibil neergestort op 27 April 1963 en pas enige tijd later gevonden. Onze middelste zoon Paul heeft zijn tweede naam, Edmar, nog aan hem te danken. Zojuist vermelde ik al dat ik in Arso malaria had opgelopen; de incubatie periode verloopt wat merkwaardig; je hebt dan om de twee dagen op ongeveer hetzelfde tijdstip een flinke koortsaanval van enkele uren; ik ging nog naar mijn werk tot de ziekte volledig door brak met flinke koortsaanvallen; na het herstel is de malaria nooit meer teruggekomen. Een andere typische tropenziekte was niersteen (vanwege te weinig drinken); ik kreeg een eerste aanval van niersteen koliek in november 1958; Corrie was toen 8 maanden zwanger van Peter, onze oudste zoon; ik moest naar het (enige) ziekenhuis in Hollandia Binnen, zo’n 15 km van Hollandia Haven; dit was in opzet een Amerikaans legerziekenhuis uit 1944 toen de Amerikanen Nieuw Guinea bevrijd hadden van de Jappen; een eenvoudig gebouw van planken, golfplaten en kippengaas omgeven door gebouwtjes in de vorm van quonsets; (op een middag moest ik het bezoek bij mijn bed waarschuwen omdat ik een rat in een gazen luikje in het plafond boven mijn bed zag, die begon te plassen). Corrie kwam me elke dag opzoeken maar nam uit voorzorg haar bevallingskoffertje mee naar het ziekenhuis; na enkele dagen kwam ze me vergezellen maar helaas heb ik weinig van de bevalling en de geboorte meegekregen omdat ik er toen nog al beroerd aan toe was maar uit haar latere verhaal hierover weet ik dat de bevalling tegenviel en dat de omstandigheden en de plaats van de geboorte erg primitief waren. Toen Corrie al weer thuis ging, lag ik nog in het ziekenhuis; eerst werd afgewacht of de steen vanzelf af zou komen; bij meerdere kolieken heb ik toen ervaren hoe snel en weldadig morfine kan zijn; uiteindelijk werd de steen van onderen af verwijderd; maar daarna kreeg ik een hevige transpiratie stroom te verwerken; door me niet op tijd van voldoende vocht te voorzien, werd ik doodziek vanwege uitdroging; toen dat verholpen was, werd ik nog bijna beroerder van hevige constipatie; en toen ik hiervan bevrijd was, voelde ik me meteen helemaal beter en kon ik eindelijk naar huis om te zien hoe Corrie en Peter al volledig aan elkaar gewend waren. Bij de geboorte van Annemiek in 1960 waren de omstandigheden heel anders want intussen was er in Hollandia Haven een nieuw ziekenhuis gebouwd en zo kwam Annemiek op de wereld in het modernste ziekenhuis van heel Zuid Oost Azie. Contact met de thuisbasis in Nistelrode was er hoofdzakelijk door briefwisseling; Corrie schreef elke week naar de Lindestraat en ik naar de Brouwershoeve en zeer trouw schreven ook iedere week de beide moeders brieven terug met familie en andere nieuwtjes; dit werd dan nog aangevuld door brieven van broers en zussen de een meer, de ander minder maar zo bleven we goed op de hoogte; ook via de post of per boot ontvingen we ook weekbladen, tijdschriften en boeken want ook wat dit betreft hadden we weinig keus in Hollandia.

Nieuw Guinea, het land en de Papoea’s, de bewoners.
Over het land (of eiland) Nieuw Guinea en de Papoea’s wil ik niet veel zeggen omdat hierover voldoende literatuur te vinden is evenals over de politieke ontwikkelingen wat land en volk betreft in de periode dat wij daar waren en ook over de tijd daarna. Maar nog wel enige regels over onze ervaringen en contacten met de Papoea’s. Hollandia ligt erg mooi aan enkele binnenbaaien van de Grote Oceaan; de kustlijn is daardoor geen strakke lijn maar men kijkt vanaf het land tegen de landtongen aan die de baaien (de Hollandia baai en de Jautefa baai) omsluiten. Tegen de hellingen steeds verder naar boven klimmend ligt dan de stad, waarvandaan je bijna steeds uitzicht hebt op de zee. De bewoners van dit uitgestrekte eiland zijn in allerlei opzichten verschillend van de Indonesiers; er loopt een duidelijke geografische en etnische scheidingslijn tussen Indonesie en zijn bevolking en het land van de Papoea’s, dat in alle opzichten veel meer bij Australie hoort. Slechts een politieke ontwikkeling, de gezamenlijke bezetting door de Nederlanders heeft deze landen toevallig bij elkaar gebracht. Toen Indonesie in 1949 zijn zelfstandigheid terug kreeg wist Nederland Nieuw Guinea daarvan los te maken; we gaan hier ook niet diep in op de motieven van Nederland (het was een mengeling van motieven) maar ze waren zeker niet alleen maar economisch; in dit verband is het typerend op te merken dat na 1945 enige jaren lang het hoogste exportcijfer de uitvoer betrof dumpmateriaal dat de Amerikan na hun bevrijding van Neuw Guinea daar hadden achtergelaten; er was toen nog weinig bekend over de bodemrijkdommen van Nieuw Guinea en een van de motieven was juist om te zorgen dat de vele Indo’s, die niet in Indonesie wilden blijven maar ook terug schrokken voor een vertrek naar Nederland, toch een kans kregen om in de tropen te blijven. Waren de Nederlanders vroeger als imperialisten Indonesie gaan bezetten, dat gold na 1949 ten opzichte van Nieuw Guinea maar voor een gering deel. Iets goed maken tegenover de eeuwenlange verwaarlozing van Nieuw Guinea gold zeker ook als motief. Nederland beloofde al snel Nieuw Guinea tot ontwikkeling te brengen en het tot zelfstandigheid op te leiden ook al werd hiervoor geen tijdstip termijn genoemd. Achteraf gezien had de tragedie van de latere ontwikkeling van Nieuw Guinea voorkomen kunnen worden maar het was in 1949 niet te voorzien dat na enkele jaren Soekarno uit machtspolitiek en om de ontevredenheid van de Indonesiers over de vele problemen in eigen land af te leiden, zijn zinnen had gezet op Nieuw Guinea. Uit angst dat hij zou overlopen naar het communistische kamp (we zaten nog midden in de Koude Oorlog) drongen vooral de Amerikanen hun bondgenoot Nederland er toe, ook om een beginnende koloniale oorlog tussen Nederland en Indonesie te voorkomen, om in 1962 Nieuw Guinea over te dragen aan Indonesie en de Papoea’s in de steek te laten. We zullen niet gemakkelijk vergeten hoe de Papoea’s in Augustus 1962, toen de zaak eigenlijk al beklonken was, in de straten van Hollandia protestmarsen hielden zowel tegen de Indonesiers als tegen het verraad van de Nederlanders. Wij Nederlanders stonden er met de mond vol tanden naar te kijken. Als overgangstijd kwam de Uno de orde overnemen en zoals eerder gezegd, ben ik nog enkele maanden Uno ambtenaar geweest; dit werd aantrekkelijk gemaakt door het aanbod van dubbel salaris. Het werd een merkwaardige periode voor mij; net als bijna alle Nederlandse vrouwen en kinderen, waren ook Corrie en de kinderen weg maar ook de grote meerderheid van de blanke en de Indische Nederlanders. In plaats hiervan Uno soldaten van velerlei nationaliteiten en iedere dag meer Indonesiers om de open gevallen plaatsen op te vullen. Tegenover dat dubbele salaris stond maar weinig werk om de doodeenvoudige reden dat er maar weinig leerlingen over waren; nu waren de zaken omgekeerd: tegenover de enkele blanke of Indo leerling stond een meerderheid van Papoea’s. De grootste klas telde nog negen leerlingen. Een probleem was ook wat we nog wilden bereiken met onze lessen. We wisten dat spoedig Indonesische leraren onze taak zouden overnemen en dat gebeurde al ten dele toen wij er nog waren en deze zouden alles over een heel andere boeg gooien; het voornaamste was de boel enigszins draaiende te houden. We hielden veel tijd over voor ontspanning en we hebben meer gezwommen dan in de jaren er voor (en merkwaardig: in enkele dagen veel schelpen kunnen verzamelen, er waren immers veel minder zoekers hiernaar dan vroeger). Hoe was onze verhouding tot de Papoea’s? In het algemeen gezegd: er was geen racisme, men keek als blanke niet op hen neer. Maar in de praktijk waren de Papoea’s nog het minst ontwikkeld van alle inwoners van Nieuw Guinea en er vormde zich dus een sociale scheiding; deze scheiding bestaat er in elke maatschappij. Maar de weinige Papoea’s die wel een ontwikkeling hadden doorgemaakt zoals Nicolaas Jouwe en Marcus Kasiepo werden als gelijken aanvaard (Nicolaas Jouwe zat bijvoorbeeld samen met mij in het bestuur van een Kruisvereniging). Door de sociale scheiding bestonden er ook aparte woonwijken voor de Papoea’s bijvoorbeeld de model kampong Hamadi maar dit kun je vergelijken met de vroegere aparte woonwijken voor de verschillende sociale groepen van de bevolking in Nederland. Overigens kende Hollandia ook al een krottenwijk: langs de kali (rivier) bouwden Papoea’s uit de omgeving illegaal krotwoningen; deze wijk was een grote stap terug tegenover de eigenlijke kampongs die uit natuurlijk materiaal uit de directe omgeving waren gebouwd en bovendien hadden de kampong bewoners kans om rondom de huizen tuinen aan te leggen en kleinvee te houden en dit lukte in de stadskampongs veel minder. Persoonlijk hadden we, buiten de Papoea leerlingen van de school en soms met hun familie, niet zoveel contact met de Papoea’s; Corrie had een Papoea hulp in huis (Sophia uit Hamadi), ik had soms een tuinjongen, maar daar bleef het bij. Wij waren toch vooral opgenomen in de Nederlandse gemeenschap, woonden in een wijk (Dok V) met vooral Nederlandse gezinnen met ambtenaren die wat hogere salarissen hadden; lagere ambtenaren en werklieden woonden weer in andere wijken zoals Dok VIII en Dok IX, maar zo’n sociale scheiding bestond er ook in het Nederland van toen en in mindere mate ook nu nog. Wel typerend vind ik het achteraf dat we maar enkele woorden Maleis leerden praten; in de dagelijkse omgang had je dit maar weinig nodig; voor de Papoea’s was het Maleis trouwens eveneens een vreemde taal.

50 jaar H.B.S. in 2001.
Als oprichtings datum van de katholieke H.B.S. in Hollandia geldt 9 augustus 1951, destijds gesticht door de Katholieke Missie. In samenwerking met de protestantse Zending werd de school op 15 November 1957 omgezet in de Bijzondere H.B.S. Na de overdracht in 1963 van Nederlands Nieuw Guinea aan Indonesie werd de school voortgezet onder de naam Sekolah Menengah Umun (SMU) met Indonesische leraren en met Indonesische en Papua leerlingen. Op 9 augustus 2001 bestond de HBS/SMU dus vijftig jaren. Reden voor oud-leerlingen, wonend in Papua (Nieuw-Guinea)en in Jakarta om het gouden feest op grootse wijze te vieren. Men richtte een feestcomite op, bestaande uit oud-leerlingen van zowel de Nederlandse als de Indonesische periode, om de festiviteiten te organiseren. Tevens besloot men om fondsen te werven om de schoolgebouwen, daterend van 1960-1961, te helpen bij de noodzakelijke renovatie. Zo kreeg een aantal oud-leerlingen in Nederland en ik als oud-leraar in juni 2001 tot hun verrassing een uitnodiging voor het bijwonen van het feest in Jayapura en voor een seminar over de ontwikkeling van het onderwijs in Papua en de over de verwezenlijking van de renovatieplannen. Vier oud-HBS-ers Addy Wils (Nederlandse), Ben Kafiar (Papua), John Muskita (Ambonees) en Humphrey Trouerbach (Indo), en ik als oud-leraar, gaven gehoor aan deze uitnodiging. Ik vroeg ook Corrie om mee te gaan, die deze uitnodiging ook graag aannam. Bij dit groepje sloten zich nog enige niet-oudleerlingen aan zoals Jozef Goen en Connie Ruchtie (die al jaren de reunies voor de oudleerlingen van de scholen in Hollandia, woonachtig in Nederland, organiseerden), Amos Tama la en Jacques de Fretes, contact personen in Nederland van het feest comite. Na een uitstel van 14 dagen vanwege verwachtte moeilijkheden na de installatie van de nieuwe president Megawati (het bleef overigens rustig in Indonesie) vertrok ons groepje op 19 augustus 2001. Wij werden zeer hartelijk ontvangen en hebben een bijzondere tijd daar gehad. Na een lange en vermoeiende reis werden we in een hotel in het centrum van Jakarta ondergebracht en werden we die eerste avond al meteen begroet door enkele leden van het feestcomite, o.a. door Freddy Numberi (Papua, oud-leerling en nu hoge functionaris in Indonesie, o.a. ambassadeur en minister) en Ibrahim Lie, zakenman. Het werd een uitbundige avond met muziek, dans en veel lekkere hapjes. Na een kort bezoek aan Jakarta vlogen we de volgende dag verder via Timika in Nieuw-Guinea naar het vliegveld Sentani bij Jayapura. De ontvangst hier door een vertegenwoordiging van leraren en leerlingen van de tegenwoordige school met dansen en het omhangen van bloemen kransen was ontroerend en hartverwarmend. We ontmoetten toen ook al meteen meerdere oud-leerlingen uit de Nederlandse tijd, o.a. "onze Pas", die sinds enige jaren weer in Jayapura woonde, en Papua's, waar van meerderen een hoge positie bereikt hadden in dienst van de overheid of als zakenman. Na deze ontvangst op Sentani werden we naar de SMU gebracht waar we met eigen ogen konden zien hoe nodig de renovatie was. Maar we werden nu vooral in beslag genomen door het bezoek aan de vele volle klassen met Indonesische en Papua leerlingen. We werden verwelkomd door d de directeur en ik beantwoordde namens de groep met een geimproviseerde reactie. Deze en volgende dagen kregen we ook de kans om Jayapura opnieuw te leren kennen; wat een veranderingen en vooral de drukte in het volgebouwde Hollandia van vroeger viel ons het meest op. Het straatbeeld werd wel overheerst door Indonesiers. We bezochten natuurlijk ook onze vroegere huizen: Zeezicht, d'Urvillelaan en Beatrixlaan, waarbij Zeezicht ons het meest verbaasde omdat de vroeger vrijgelegen woning met prachtig uitzicht volledig was ingebouwd. De huizen zagen er toch redelijk uit. Onze kathedraal, waar we juist boven gewoond hadden, was zelfs veel mooier dan vroeger en verrassend was voor ons ook de volle kerk en de geestdrift waarmee de mis op zondagmorgen werd meebeleefd. De pastoor (nog steeds een Franciscaan)richtte een speciaal woord van welkom tot Corrie en mij en gaf ons na afloop van de mis copieen van de doop akten van Peter en Annemiek, beide in deze kathedraal gedoopt. Op 23 augustus werd het seminar gehouden: zeer lange zittingen met vele toespraken o.a. van Kasipo, Papua en minister en Freddie Numberi; de speeches in het Maleis werden door Pas of anderen voor ons kort samengevat. Er volgde een langdurige foto-sessie; wij moesten vereeuwigd worden met allerlei groeperingen van de school. Na afloop hadden we een uitgebreide lunch ten huize van de Papua familie van Freddie Numberi, een zeer talrijke familie, allen trots op hun beroemd familielid. Op 25 augustus was het eigenlijke feest, dat zeer uitbundig gevierd werd; we werden weer ontvangen door een groep dansende Papua leerlingen in klederdracht waarna in de feestzaal een dag volgde met vele toespraken en zeer gevarieerde dansen van leerlingen van de school waarbij op het laatst iedereen betrokken werd. Als enige oud-leraar kreeg ik nog een onderscheiding in de vorm van een mooie dasspeld. (Van oud-leerlingen kreeg ik eveneens cadeautjes o.a. van Theo Daat een ring, die ik nog steeds draag). Na een lunch in de feestzaal, werden we op die middag nog getrakteerd op een boottocht door de Jautefabaai. Na afloop van het feest waren Corrie en ik de volgende dagen te gast in het ruime, mooie huis van Pas, niet ver van Base G. De vorige dagen waren we ondergebracht in een goed hotel, zeer mooi gelegen aan zee, vlak onder Zeezicht en dichtbij de school. Met Pas genoten we nog enkele dagen van auto ritjes door Hollandia en de ons van vroeger zo bekende omgeving: het centrum van Hollandia, Base G, Sentani meer en we maakten zelfs een rit naar Arso, waar ik bijna vijftig jaar geleden Pater de Wit opzocht; nu met de auto te bereiken. Arso was er veel op vooruit gegaan: nu een mooie kampong met een groot internaat leuk contact met de leerlingen daar en een zeer mooie kerk. We bezochten ook het ziekenhuis in Dok II, waar Annemiek in 1960 geboren was en hier werden we rondgeleid door een dochter van Jan Ui, die daar arts was. 's-Avonds waren we meestal te gast bij oud-leerlingen o.a. bij Theo Daat en zijn vrouw Sandra, Papua en nu een hoge post bij Financien, bij Jan en Trees Ui in een drukke familie kring en bij Anna, een medewerkster van Pas. Met Pas hadden we een fijn contact; hij kon nog goed Nederlands maar het meest verbaasde hij ons door zijn vele liedjes in onze taal, die hij nog moeiteloos kon zingen of opzeggen. Zijn vrouw Corrie hebben we toen niet gezien; zij verbleef toentertijd bij enige van haar kinderen op Oost-Java. Met de Nederlandse groep maakten we nog een boottocht op het Sentani-meer en brachten we een uitgebreid bezoek aan enige mooie kampongs aan de oever van dit meer. Hierna vertrok geleidelijk aan onze groep naar verschillende bestemmingen. Corrie en ik vlogen samen met Pas nog naar de Baliem vallei, pas laat ontdekt en dichtbevolkt in het Centrale Bergland. Hier bezochten we ook enkele kampongs de mannen liepen nog vaak gekleed in alleen een peniskoker en veel indruk maakte op ons een kolossaal grote markthal, volgepropt met allerlei etenswaren en vruchten (de Baliem is een vruchtbare vallei). Vanwege de hoge ligging koelde het 's-nachts snel af en hadden we zelfs dekens nodig. Terug in Hollandia namen we op 31 augustus op Sentani afscheid van Pas en andere oud-leerlingen o.a. Theo en Sandra Daat en enkele van hun dochters, Carol Huwae en Anna (van Pas). Corrie kreeg vanwege haar verjaardag nog enkele cadeautjes. Het eigenlijke doel, het weerzien van Hollandia en de viering van het feest, was nu echt voorbij maar Corrie en ik brachten nog enige dagen door op Bali en in Jogjakarta (Yogyakarta) op Java. Met het financiele doel, een bijdrage te leveren aan de renovatie van de school, hebben we niet zoveel succes; we hebben wel diverse activiteiten op touw gezet, begonnen na een artikel van Addie Wils in de Telegraaf zoals stands op diverse Pasar Malams het meedoen aan de Sponsorloterij. Ik heb een keer de opbrengst van de Albert Schweitzerdag (Atheneum in Geleen) voor dit doel mogen incasseren en het aanwezig zijn op de reunies van de leerlingen van scholen van het vroegere Hollandia die nu in Nederland wonen. Maar al met al zijn het toch maar kleine bijdragen voor het grote kapitaal dat nodig is voor de renovatie. Zoals ik al boven vermeld heb worden er geregeld reunies gehouden van schoolleerlingen van Hollandia; deze worden elk anderhalf jaar vooral georganiseerd door Jozef Goen, Connie Ruchtie en enkele anderen, meestal in de buurt van Utrecht. Er is steeds veel belangstelling voor maar omdat het aantal leerlingen van de lagere scholen en van de Mulo veel groter was dan van de HBS, zijn er voor mij op deze bijeenkomsten ook vele onbekenden. De laatste jaren bezoek ik toch regelmatig deze reunies: er wordt volop (Indisch) gegeten, er zijn altijd exposities met vooral schoolfoto's en er wordt veel gedanst; de sfeer is nog steeds onvervalst Indisch en de blanke gezichten zijn veruit in de minderheid.

Slot.
Tot zover enige herinneringen aan ons verblijf in Nieuw Guinea. We kunnen zeker zeggen dat we blij zijn met deze ervaringen; werken en wonen in een heel andere omgeving, in een heel ander klimaat, tussen een zeer gemengde maar kleurrijke bevolking; nieuwe vriendschappen en contacten leggen, boeiende reiservaringen opdoen. We vragen ons wel eens af hoe het verder met ons gegaan zou zijn als Soekarno geen roet in ons eten had gegooid. Jammer misschien ook dat Peter en Annemiek te weinig kans gekregen hebben om hun geboorteland beter te leren kennen. Deze herinneringen zijn mogelijk een kleine aanvulling hierop. Al met al zijn we blij in 1957 deze stap zonder al te veel aarzelingen te hebben durven zetten.

Last updated Oktober 22, 2007
© 2000-2007 Peter van der Heijden. All rights reserved
comments
Legal
Site Map
Top